Morgen verder.
Een leven ging door onze handen, zoveel bewaard, altijd bezig met wol, garen, stof, dozen en laden vol, zonde om het weg te doen vond ons Moedertje.
Onder het papier in een lade van het dressoir vonden we oude schoolrapporten, ons leven komt ook voorbij.
Morgen verder met opruimen, er komt een container voor alles wat weg kan, heel veel.
Het huis van onze moeder.
Sommige dingen kan je wel uitstellen omdat je het moeilijk vindt, het huis van onze moeder ontruimen, leeghalen, waar alles bekend is, een verleden heeft, alles moet weg, wat wij niet meenemen gaat verloren, er blijft niets over, alleen de herinnering en de gedachte aan de liefde van onze moeder, dat gevoel verdwijnt niet. Nog even en het huis waar ze woonde is leeg, misschien dat ik er nog eens langs loop, net als langs ons ouderlijk huis en het huis daarvoor, een wandeling door het verleden langs alle bekende plekjes in Groningen, wie weet ?
Lijstjes.
Het einde van het jaar brengt niet alleen grijs weer maar ook lijstjes in de krant van de beste platen, klassieke werken, boeken, gerechten, politici en weet ik veel. Ik kijk er even naar, er komen zoveel boeken, platen, gerechten, mensen en nog veel meer in het nieuws, niet bij te houden, dat doe ik stiekem toch, vergeet ze gelijk weer om ze een half jaar later tegen te komen in de kringloopwinkel. Ik heb nog nooit een kringloop -winkel top tien lijstje gezien, ik ging er vroeger heen voor lp's, ik heb er honderden gekocht voor een schijntje, die tijd is voorbij.
Lijstjes in de krant zijn overbodig, een goed boek leest zich zelf, voor muziek heb ik geen kenner nodig om mij er naar te laten luisteren of mij te vertellen wat goed of slecht is, ik heb goede oren, koken moet je zelf proberen, het leven is te mooi om je te laten sturen door een wijze man of vrouw, je moet het zelf ontdekken met vallen en opstaan en ga je een keer op je bek, geen man overboord, het doet even zeer daarna ga je gewoon verder, wijzer, wel met blauwe plekken.
Lijstjes zijn overbodig net als recensenten, vertrouw op je zelf.
Genieten.
Geniet van de feestdagen, maak er wat moois van samen met geliefden en vrienden.
Een duif van honderd pond.
Vrede
Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi had gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en 'vrede' knarsend, 'vrede, vrede'.
Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilten voeten,
dat we eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillend in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.
Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
Doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door het huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwige stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes
opheft.
Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
Leo Vroman (1915-2014)
Vrede
Dit overbekende gedicht publiceerde Leo Vroman voor het eerst in 1954, in een aflevering van De Gids, negen jaar na de Tweede Wereldoorlog. Het is ook bekend dat de dichter in de oorlog naar Nederlands-Indië vluchtte en daar werd geïnterneerd in verscheidene Japanse kampen. Het gedicht 'Vrede' moet wel over die oorlog gaan. Het oorlogsgeweld is in zijn dromen, in zijn huis en in zijn relatie gedrongen. Zijn plotselinge vertrek met een taxi, is dat het gevolg van een knallende ruzie, of verwoordt de dichter hier zijn vlucht uit Nederland? In ieder geval scheidde hij met een scheurend geluid van zijn lief. Op dat moment 'ketste keisteen in haar lenden'. Later dromen beiden dat de oorlog terugkeert 'op vilten voeten'. Het lijkt of zij elkaars gillen in die dromen kunnen horen.
De tweede strofe begint met een vreemde verandering in de werkwoordstijd: '// Sinds ik mij zo onverwacht / in een taxi had gestort / dat ik in de nacht een gat / naliet dat steeds groter wordt, /'. Het zou flauw zijn om hier te spreken van rijmdwang. Het gat groeit nog steeds en dat is in deze context heel aannemelijk. Intrigerend is het gebruik van 'droogte' in dezelfde strofe. Bij het plotselinge afscheid 'bloost zijn zachtbetraande schat droogte van ellende'. Betekent dit dat zij zoveel huilt dat ze er droog van wordt? Of valt het wenen juist moeilijk en wordt ze er rood van? Ook de 'ik' is 'te dicht en droog van vel'. De kreukels die hij knijpt, doen denken aan het vel van een oude man. Droogte kan hier ook slaan op het gemis van lichamelijke liefde. Na de overhaaste vlucht knarst en vloekt hij, ontdaan van liefde 'een stinkend wonder / van onthoofde wulpsigheden /' Eerst wordt woede geuit om het gemis van liefde, om 'vrede, godverdomme, vrede'. Het verdriet, het wenen komt later, als de oorlog is verdwenen.
Overdrijving
Zo betrekkelijk kort na de oorlog helpt er geen duif van honderd pond aan, met een hele olijfboom in zijn klauwen. Met deze overdrijving van de vredesduif met olijftak geeft de dichter aan, dat het onbegonnen werk is. Al wordt hem honderd keer verteld dat de oorlog voorbij is, hij blijft wenen. De gruwelijke herinneringen blijven zich opstapelen als 'een toren van vuil / lang vergeten keldermodder'.
Voor het grootste deel heeft het gedicht een prettig ritme, met gekruist rijm, dat afwisselend mannelijk en vrouwelijk is. Op twee punten wijkt Vroman hiervan af: aan het begin van de tweede strofe staat het woord 'onverwacht' zonder rijmpartner en verderop, halverwege de vierde strofe, wordt het rijmpatroon onderbroken vanaf 'nadat eensklaps,...' en wordt pas weer opgepikt in de laatste vierregelige strofe. 'Onverwacht' en 'eensklaps' zijn woorden die betekenis geven aan het onderbreken van rustige patronen. Hier worden in beide gevallen schokkende gebeurtenissen ingeleid: 'Onverwacht' kondigt de vlucht, scheiding en steeds groter wordende leegte aan, 'eensklaps' doet de oorlogsherinneringen weer opduiken. Het vreselijkst vindt de dichter 'de eeuw dat niets geschiedt'. Dit gezegd hebbende beschrijft hij nog eens hoe erg de oorlog was: bloed, vuur, delen van 'dode doch aardige mensen'. Dan noemt hij weer 'de eeuwige stilte' en tenslotte een verbaasd kind dat gewurgd wordt en zijn armpjes opheft. Is dat een gebaar van wanhoop? Of het verlangen om opgetild te worden? De conclusie blijft hetzelfde: '/ alle malen zal ik wenen. // '
En dan, in 2011, komt de bundel Daar uit. Vroman is inmiddels ver in de negentig en zijn gedichten gaan nu vaak over sterven en afscheid nemen. In Daar staat ook 'De kleinste vrede':
De kleinste vrede
Als een musje van achttien gram
met wat olijfdrab aan zijn teentje
op een ochtend bij ons kwam,
en nog eentje, en nog eentje,
dan na onderling beramen
keken zij mij even aan
en tjilpten een verhaaltje samen,
ik zou er geen tjilp van verstaan,
maar zou een vrede ondergaan en
dan voelde ik alle haat en
pijn dit land verlaten.
En o mijn tranen.
O mijn tranen
Uit: Daar (Querido, 2011), pag. 191
Afgezwakt?
Nooit zal ik weten, hoe ik dat gedicht zou hebben gelezen als ik niet van 'Vrede' had geweten. 'Vrede' klinkt hier zo sterk in door. Maar alles is kleiner. Het gedicht is korter, de duif van honderd pond is een musje van achttien gram geworden en de olijfboom een beetje drab. In plaats van het geluid van koren zoete vrouwen klinkt slechts wat mussengetjilp. Het rijmpatroon wordt hier niet onderbroken. Er gebeurt niets onverwachts en 'zal ik alle dagen wenen' is veranderd in 'o mijn tranen'. Het lijkt erop dat ruim een halve eeuw later de herinnering aan het oorlogsgeweld toch enigszins afgezwakt is. Maar... op de volgende pagina staat nóg een variant van 'Vrede':
De kleinste vrede (tweestemmig)
KOMT EEN DUIF VAN HONDERD POND
Als een musje van achttien gram
EEN OLIJFBOOM IN ZIJN KLAUWEN
met wat olijfdrab aan zijn teentje
BIJ MIJN OREN MET ZIJN MOND
op een ochtend bij ons kwam,
en nog zo eentje, en nog eentje
VOL VAN KORENZOETE* VROUWEN.
dan na onderling beramen
keken zij mij even aan
VOL VAN KIRRENDE VERHALEN
en tjilpten een verhaaltje samen,
ik zou er geen tjilp van verstaan,
HOE DE OORLOG IS VERDWENEN
maar zou een vrede ondergaan en
EN HERHAALT ZE HONDERD MALEN
dan voel ik alle haat en
pijn dit land verlaten.
ALLE MALEN ZOU IK WENEN.
En o mijn tranen.
O mijn tranen
* in 'Vrede' staat: 'vol van koren zoete vrouwen', hier: 'KORENZOETE VROUWEN', zonder spatie dus. Het zou een zetfout kunnen zijn, maar ook een bewuste betekenisverschuiving, aangebracht door de dichter zelf.
De duif van honderd pond gaat hier de dialoog aan met het musje van achttien gram. De duif spreekt in kapitalen: '/ VOL VAN KIRRENDE VERHALEN /. De mus en zijn soortgenoten '/ tjilpten een verhaaltje samen, /'. De samenspraak en afwisseling suggereren dat de twee stemmen met elkaar wedijveren en dat de waarheid in het midden ligt. Maar een even goede conclusie lijkt mij dat de verschillende stemmen én het wenen én de tranen bij elkaar worden opgeteld, waardoor de vrede nog kleiner is dan bij de eerste variant. Het is nu echt de allerkleinste vrede, tweestemmig. Het is onmogelijk om ooit echt vrede te hebben met een brandende stad en een 'versgebraden kind'. Ook al voel je 'alle haat en / pijn dit land verlaten./'
Pubquiz.
Ik ben door mijn jongste broer uitgenodigd om in zijn team mee te doen aan een pubquiz in een café in het dorp waar hij woont, onderwerp, top 2000. Ik heb niet zoveel met spelletjes in kroegen, maar ik heb toegezegd dus ga ik er vanavond heen, aanvang 20.00 uur. Hoe het is afgelopen en hoe het was, vertel ik later.
Tiende plaats, middenmoot, voor kerstkleding waren er bonuspunten, het was gezellig.
Feest van licht.
De donkere dagen voor kerst, het feest van licht, nieuw leven, na vandaag worden de dagen weer langer. Ik loop met de honden door het dorp, overal zie ik licht en lampjes, prachtig maar misschien kan het iets minder, toch nog een kerstboodschap: Vind het Licht in jezelf.
66 jaar.
66 jaar geleden trouwden onze ouders, hun huwelijksportret in zwart wit hangt al jaren naast mijn stoel, ik kijk er elke dag wel even naar zonder vragen maar met veel liefde.