Hoofd.
Het is druk in mijn hoofd, het ene idee is nog niet bedacht of het volgende plan dient zich aan, er komt geen einde aan. Het is altijd zo geweest, ik weet niet beter, ook niet hoe het anders zou moeten want de stroom is niet in te dammen, droogt niet op; ik loop in de tuin, bomen moeten worden gesnoeid, van de takken kan ik een haag maken, in de kas moet gespit en geplant worden. Ik loop rond het huis, zie wat er moet gebeuren aan opknapwerk en krijg gelijk een idee om het helemaal anders te doen, veel meer werk, wel mooier. Zo gaat het maar door, een vloer van kaasplanken loopt stuk op een kapotte schaafmachine die niet voor dat werk is gemaakt, ik koop vloerdelen, de kaasplanken vinden hun weg wel in het huis. De oude mangel, gekregen van Lo moet zich weer gaan bewijzen door nieuwe linoleum snede's te gaan afdrukken, ik moet ze eerst wel maken. Tekeningen zie ik voor me, daar moet ik ook mee beginnen, het houdt niet op. Stapels boeken liggen er om te worden gelezen naast al die platen, die ik nog wil draaien en luisteren. De hond komt naar mijn stoel, likt mijn hand, wandelen en het liefst ver en lang, als we buiten komen hinnikt de pony die altijd honger heeft. En dan is er ook nog de liefde die niet doet wat ik vraag, het gaat zijn eigen gang en dat is goed, het is al druk genoeg in mijn hoofd.
Blote billetjes in het gras.
Om nog even in Groningen te blijven; dit is een Gronings streekgerecht, stamppot van gekookte aardappelen, snijbonen en witte bonen. De naam slaat op de witte bonen (blote billetjes) die door de groene snijbonen worden gemengd, eigenlijk met rookworst, maar vandaag met verse worst. Mijn moeder maakte snijbonen in, in een grote keulse pot (kent iemand Piggelmee nog, die met zijn vrouwtje in een keulse pot woonde); de snijbonen werden gesnipperd in een molen, een leuk werkje dat ik vaak mocht doen, ingelegd in de keulse pot dat wil zeggen een laagje rauwe groenten afgewisseld met een laagje zout. Op de pot werd een schone doek gelegd, daarop een houten deksel met een steen erop om het op zijn plaats te houden, de pot moest op een koele plaats gezet worden. Bij ons in de gangkast onder de trap, een rommelkast waar van alles stond maar wat wil je in een klein huis (toen was het groot voor ons) zonder zolder en een kleine schuur met daarin ook nog een kolenhok. Als ik er langs rijd om naar mijn moeder te gaan, bij de Kapteynlaan even rechtsaf rondje plein Johan Muldersstraat en alles komt terug met de vraag waar we moeten voetballen, stoeprandje, blikspuit of op een mooie dag badmintonnen aan vier kanten van het rozenperkje in het midden, het staat vol met auto's, op straat kan je niet meer spelen.
Twijstried/tweestrijd.
Ik ben geboren in Groningenstad, waar ik twee en twintig jaar heb gewoond, later na westerse omzwervingen kwam ik in Hellum terecht, een klein plaatsje tussen Schildwolde en Siddeburen en bouwde ik met hulp van broers, Joop, vrienden een prachtig houten huis op een mooie plek aan de rand van het dorp. Ik sprak met een licht accent, noem het een knauw, ik slikte de e voor de n in, kopen werd kop'n, niemand die het erg vond, laat staan dat het opviel. Pas toen ik in het westen kwam, daar ging werken en later wonen, werd ik er op gewezen, niet subtiel of met tact, nee, ik was een stomme boer uit het noorden, er werden grapjes over gemaakt, niet alleen achter mijn rug, maar ook als ik er bij stond, in het westen wordt het mooiste nederlands gesproken zeggen ze daar zelf ingenomen. Ik leerde zonder accent te praten, werd gevatter in mijn antwoorden, liet me niet meer alles zeggen, maakte grapjes over de westerse onwetendheid over de provincie. Ik was een allochtoon, Groningen was verder weg dan Turkije, de westerling dacht dat de wereld ophield bij Utrecht, terwijl ik me voorbij Zwolle pas weer thuisvoelde in het noorden. Ik paste me moeiteloos aan, maar bleef een noorderling. Vooroordelen over afkomst zijn in deze tijd geen uitzondering helaas, het maakt niet uit waar je vandaan komt, we've got to live togheter, hoedanook en dat moeten we elkaar vertellen, niet vergeten. Mensen vergeten dat het gas uit het noorden komt, van enige solidariteit hoor ik niks, iedereen is blij dat het huis nog verwarmd wordt. Draaien we de gaskraan dicht dan komen de protesten, horen we dat het gas van iedereen is, wat denken we wel niet in het noorden, het rijke westen heeft bovenmatig geprofiteerd van de gas opbrengsten, wij zakken in de grond, het leed is niet te overzien. Ik kom hierop door een boekje dat ik gisteren kocht, de dichtbundel Twijstried van Simon van Wattum, dichter en schrijver in het Gronings. Dat is ook zoiets, het dialect, de streektaal of hoe je het wilt noemen is nu volkomen geaccepteerd in de provincie en in de rest van het land, iedereen is trots op de taal van de geboortegrond, oude gebruiken worden in ere hersteld, zelfs het landschap moet er weer uitzien zoals vroeger, maar het gaat niet natuurlijk, het wordt geschapen en niet in zeven dagen.
dichten
Ik dicht
om ons toal,
om de Muze
en moeke
Netuur.
Ik dicht
om de wereld,
de dreum
en de laifde.
Ik dicht
Ik dicht
in de spaigel
van joen
gewaiten
en dat van mie.
Simon van Wattum
Slapen.
Ik kom laat thuis en heb nog geen zin om te gaan slapen, dat heb ik vaak, de nacht is mijn vriend, mijn metgezel die ik niet hoef te vertellen dat het laat is, daar is de morgen voor, die altijd te vroeg komt ook al kan ik uitslapen. Ik kijk het journaal terug en soms de herhaling van DWDD, verloren tijd denk ik als ik heb gekeken, net als na het lezen van een streekroman, ik lees het boek uit want ik wil het einde niet missen. Ik heb niks beters te doen, ik verdoe mijn tijd, maar dat is niet erg, de tijd is er om te verdoen, te verspillen met het kijken naar de televisie, het luisteren naar platen, het lezen van boeken, wandelen met de hond, werken, het is iets dat leven heet. Gaan slapen en niet meer wakker worden is een angst waarom ik niet naar bed ga, het maakt niets uit, in mijn stoel kan ik ook sterven. Tegenwoordig ga ik soms vroeg naar bed met een boek en val ik in slaap zonder een bladzijde te hebben gelezen, word ik 's morgens wakker voordat de wekker afgaat, maar dat was altijd al zo, ik denk ik ben er nog.
Vannacht droomde ik over meester Voorintholt, onze leraar nederlands, die mijn stukjes had gelezen en er een goed woord voor over had, dat kan helemaal niet dacht ik, hij vond de dictee's die ik schreef nooit meer dan een zes waard, maar misschien heeft hij gelijk en wordt het nog wat.
Lang haar en een baard.
Toen ik twaalf, dertien jaar was moest ik naar de kapper als mijn haar te lang was volgens mijn ouders in een tijd waarin ik de muziek ontdekte en lang haar voor mannen meer regel dan uitzondering was, niet bij ons thuis. Goed geknipt en goed geschoren was het devies van mijn vader. De leeftijd doet er niet toe, wel de onmacht van mijn vader over het verliezen van de invloed op zijn zoon, die zijn eigen gang gaat en waarschijnlijk de herinnering aan zijn jeugd waarin hij zijn eigen weg bepaalde, maar door oorlogs en andere omstandigheden niet kon worden wat hij voor ogen had en mij dat wilde besparen door mij te sturen in mijn studie keuze, net als bij mijn broers en zussen, in plaats van het aan ons over te laten. Goed bedoelt achteraf bezien, toen een strijd waar we later nooit over gepraat hebben, nu kan het niet meer, alleen in mijn gedachten bij een kampvuurtje in haselune, de vraag was "wat is de zin van het leven" .
Een baard maar die scheer ik er volgende week weer af, het maakt niet uit of je haar lang is of kort dat zong jimi hendrix, of je christen, katholiek, moslim, boeddhist of wat dan ook bent, leef je leven samen met die ander, vooral en bovenal samen in harmonie.
Verwachtingen.
Wat verwachtte ik van mijn leven toen ik 16 of 17 jaar was? Ik begon net te na denken over mijn toekomst, maar dat was nog zo ver weg, ik moest alles eerst nog ontdekken, ik had geen flauw idee wat er allemaal zou kunnen gaan gebeuren laat staan dat ik er een stuur over zou hebben. School en uitgaan beheersten mijn leven in omgekeerde volgorde, school was bijzaak, de hoofdzaak leerde ik in het randgebeuren, ik overschreed de grenzen van mijn leven, die tot dan toe door mijn ouders en de kerk werden bepaald en ontdekte een nieuwe wereld zonder zoveel regels en beperkingen waarvan ik het bestaan altijd wel vermoed had, maar opeens stond ik er midden in. Ik genoot ervan met volle teugen tegen de wil in van vader, moeder en dominee, mijn eigen gang bepaalde ik zelf zonder terughoudendheid, het was alles of niets. Maar wat verwachtte ik van mijn leven? Ik haalde mijn havo diploma, gelukkig, want ik was behoorlijk zenuwachtig voor die tijd. We werkten in Hillegom in de bloembollen, Joop, Tineke en ik, op de dag van de diploma uitreiking gingen we met de trein terug naar Groningen, vertraging of te laat vertrokken ik weet het niet meer, we gingen met een taxi van het station naar school en waren net op tijd voor de ceremonie, alledrie geslaagd. Ik ga de verwachtingen van mijn leven nog steeds uit de weg, ik ging naar de kunstacademie en op cathechisatie vroeg de dominee aan ons wat we met onze opleiding konden worden. Ik had geen flauw idee en vond het ook niet belangrijk, ik had geen verwachtingen, ik leefde van de hak op de tak en dat bleef zo, nog steeds leef ik van dag tot dag zonder verwachting. Ik zie wel hoe het gaat, het gaat goed, de enige verwachting is de hoop op een gezond en gelukkig leven.
Geen muziek, vroeg naar bed.
Koffie en de krant, daar begint de dag mee, nadat ik gedouched heb. Een lange dag op het werk, in de pauze even terug om voor de dieren te zorgen, Daft Punk hard aan in de bus, mooi weer, de lente komt er aan. Nu zit ik aan de grote tafel, de krant van voor naar achter en terug gelezen in een stil huis, soms heb ik geen muziek nodig om tot mezelf te komen. Vroeg naar bed met een boek, daar eindigt deze dag mee.
Huis.
Wat een heerlijk huis heb ik dacht ik vanmiddag, ik kan alles maken wat ik wil, niemand vertelt me wat ik moet doen of zegt dat ik moet stofzuigen, opruimen, schoonmaken, dat weet ik zelf ook wel. Toch had ik liever gezegd "wat een heerlijk huis hebben wij", alleen is maar alleen denk ik af en toe, het gaat goed met mij, samen is misschien moeilijk na een tijd op jezelf, niet onmogelijk als ik er goed over nadenk. Nu is het prima, ik kook wanneer ik zin heb, waar ik trek in heb, ik doe wat ik wil in het huis en daar buiten, alles kan. Die vrijheid heeft een beperking, ik word niet gewezen op mijn tekortkomingen, ik kan wel arrogant roepen dat ik die niet heb, maar voor ik het weet zakt de grond onder mijn voeten weg (ik woon in het episch centrum van de provincie Groningen) en donder ik de kuil die ik voor mezelf heb gegraven zonder dat er iemand is die me er weer uit trekt. Jozef die door zijn broers in een kuil werd gegooid en het schopt tot grootvizier in Egypte en zijn familie hielp om te overleven in een tijd van schaarste. De verhalen uit de Bijbel zijn nooit ver weg, altijd in mijn hoofd, prachtig als ik de schilderijen, tekeningen en etsen van Rembrandt zie, ik herken de verhalen. Van mijn vader kreeg ik de Rembrandt Bijbel, een bijbel in de oude statenvertaling met oneerbiedig gezegd illustraties van Rembrandt bij de verhalen. Heerlijk huis, ik luister naar muziek van Father John Misty, van deze tijd, maar het kon van vroeger zijn, er is niets nieuws onder de zon, die vanmiddag uitbundig scheen.