thuismetsijtze.reismee.nl

Een duif van honderd pond.

Vrede

 Komt een duif van honderd pond,
 een olijfboom in zijn klauwen,
 bij mijn oren met zijn mond
 vol van koren zoete vrouwen,
 vol van kirrende verhalen
 hoe de oorlog is verdwenen
 en herhaalt ze honderd malen:
 alle malen zal ik wenen.

 Sinds ik mij zo onverwacht
 in een taxi had gestort
 dat ik in de nacht een gat
 naliet dat steeds groter wordt,
 sinds mijn zacht betraande schat,
 droogte blozend van ellende
 staan bleef, zo bleef stilstaan dat
 keisteen ketste in haar lenden,
 ben ik te dicht en droog van vel
 om uit te zweten in gebeden,
 kreukels knijpend evenwel,
 en 'vrede' knarsend, 'vrede, vrede'.

 Liefde is een stinkend wonder
 van onthoofde wulpsigheden
 als ik voort moet leven zonder
 vrede, godverdomme, vrede;
 want het scheurende geluid
 waar ik van mijn lief mee scheidde
 schrikt mij nu het bed nog uit
 waar wij soms in dromen beiden
 dat de oorlog van weleer
 wederkeert op vilten voeten,
 dat we eigenlijk al niet meer
 kunnend alles, toch weer moeten
 liggen rennen en daarnaast
 gillend in elkanders oren,
 zo wanhopig dat wij haast
 dromen ons te kunnen horen.

 Mag ik niet vloeken als het vuur
 van een stad, sinds lang herbouwd,
 voortrolt uit een kamermuur,
 rondlaait en mij wakker houdt?
 Doch het versgebraden kind,
 vuurwerk wordend, is het niet
 wat ik vreselijk, vreselijk vind:
 het is de eeuw dat niets geschiedt,
 nadat eensklaps, midden door het huis,
 een toren is komen te staan van vuil,
 lang vergeten keldermodder,
 snel onbruikbaar wordend huisraad,
 bloedrode vlammen en vlammend
 rood bloed, de lucht eromheen behangen
 met levende delen van dode doch
 aardige mensen, de eeuwige stilte voor-
 dat het verbaasde kind in deze zuil
 gewurgd wordt en reeds de armpjes
 opheft.

 Kom vanavond met verhalen
 hoe de oorlog is verdwenen,
 en herhaal ze honderd malen:
 alle malen zal ik wenen.


Leo Vroman (1915-2014)

Vrede 

 Dit overbekende gedicht publiceerde Leo Vroman voor het eerst in 1954, in een aflevering van De Gids, negen jaar na de Tweede Wereldoorlog. Het is ook bekend dat de dichter  in de oorlog naar Nederlands-Indië vluchtte en daar werd geïnterneerd in verscheidene Japanse kampen. Het gedicht 'Vrede' moet wel over die  oorlog gaan. Het oorlogsgeweld is in zijn dromen, in zijn huis en in  zijn relatie gedrongen. Zijn plotselinge vertrek met een taxi, is dat  het gevolg van een knallende ruzie, of verwoordt de dichter hier zijn  vlucht uit Nederland?  In ieder geval scheidde hij met een scheurend  geluid van zijn lief. Op dat moment 'ketste keisteen in haar lenden'.  Later dromen beiden dat de oorlog terugkeert 'op vilten voeten'. Het  lijkt of zij elkaars gillen in die dromen kunnen horen.  


 De tweede strofe begint met een vreemde verandering in de  werkwoordstijd: '// Sinds ik mij zo onverwacht / in een taxi had gestort / dat ik in de nacht een gat / naliet dat steeds groter wordt, /'. Het  zou flauw zijn om hier te spreken van rijmdwang. Het gat groeit nog  steeds en dat is in deze context heel aannemelijk. Intrigerend is het  gebruik van 'droogte' in dezelfde strofe. Bij het plotselinge afscheid  'bloost zijn zachtbetraande schat droogte van ellende'. Betekent dit dat zij zoveel huilt dat ze er droog van wordt? Of valt het wenen juist  moeilijk en wordt ze er rood van? Ook de 'ik' is 'te dicht en droog van  vel'. De kreukels die hij knijpt, doen denken aan het vel van een oude  man. Droogte kan hier ook slaan op het gemis van lichamelijke liefde. Na de overhaaste vlucht knarst en vloekt hij, ontdaan van liefde 'een  stinkend wonder / van onthoofde wulpsigheden /'  Eerst wordt woede geuit om het gemis van liefde, om 'vrede, godverdomme, vrede'. Het verdriet,  het wenen komt later, als de oorlog is verdwenen.  


 Overdrijving 

 Zo betrekkelijk kort na de oorlog helpt er geen duif van honderd pond  aan, met een hele olijfboom in zijn klauwen. Met deze overdrijving van  de vredesduif met olijftak geeft de dichter aan, dat het onbegonnen werk is. Al wordt hem honderd keer verteld dat de oorlog voorbij is, hij  blijft wenen. De gruwelijke herinneringen blijven zich opstapelen als  'een toren van vuil / lang vergeten keldermodder'.    


 Voor het grootste deel heeft het gedicht een prettig ritme, met gekruist rijm, dat afwisselend mannelijk en vrouwelijk is. Op twee punten wijkt Vroman hiervan af: aan het begin van de tweede strofe staat het woord  'onverwacht' zonder rijmpartner en verderop, halverwege de vierde  strofe, wordt het rijmpatroon onderbroken vanaf 'nadat eensklaps,...' en wordt pas weer opgepikt in de laatste vierregelige strofe. 'Onverwacht' en 'eensklaps' zijn woorden die betekenis geven aan het onderbreken van rustige patronen. Hier worden in beide gevallen schokkende  gebeurtenissen ingeleid: 'Onverwacht' kondigt de vlucht, scheiding en  steeds groter wordende leegte aan, 'eensklaps' doet de  oorlogsherinneringen weer opduiken. Het vreselijkst vindt de dichter 'de eeuw dat niets geschiedt'. Dit gezegd hebbende beschrijft hij nog eens  hoe erg de oorlog was: bloed, vuur, delen van 'dode doch aardige  mensen'. Dan noemt hij weer 'de eeuwige stilte' en tenslotte een  verbaasd kind dat gewurgd wordt en zijn armpjes opheft. Is dat een  gebaar van wanhoop? Of het verlangen om opgetild te worden? De conclusie blijft hetzelfde: '/ alle malen zal ik wenen. // '  


 En dan, in 2011, komt de bundel Daar uit. Vroman is inmiddels ver in de negentig en zijn gedichten gaan nu vaak over sterven en afscheid nemen. In Daar staat ook 'De kleinste vrede':  


 

 De kleinste vrede   

 Als een musje van achttien gram  
 met wat olijfdrab aan zijn teentje  
 op een ochtend bij ons kwam,  
 en nog eentje, en nog eentje,  

 dan na onderling beramen  
 keken zij mij even aan  
 en tjilpten een verhaaltje samen,  
 ik zou er geen tjilp van verstaan,  

 maar zou een vrede ondergaan en  
 dan voelde ik alle haat en  
 pijn dit land verlaten.  
 En o mijn tranen.  
 O mijn tranen  

 Uit: Daar (Querido, 2011), pag. 191

 


 Afgezwakt? 

 Nooit zal ik weten, hoe ik dat gedicht zou hebben gelezen als ik niet  van 'Vrede' had geweten. 'Vrede' klinkt hier zo sterk in door. Maar  alles is kleiner. Het gedicht is korter, de duif van honderd pond is een musje van achttien gram geworden en de olijfboom een beetje drab. In  plaats van het geluid van koren zoete vrouwen klinkt slechts wat  mussengetjilp. Het rijmpatroon wordt hier niet onderbroken. Er gebeurt  niets onverwachts en 'zal ik alle dagen wenen' is veranderd in 'o mijn  tranen'. Het lijkt erop dat ruim een halve eeuw later de herinnering aan het oorlogsgeweld toch enigszins afgezwakt is. Maar... op de volgende  pagina staat nóg een variant van 'Vrede':  


 

 De kleinste vrede (tweestemmig)   

 KOMT EEN DUIF VAN HONDERD POND  
 Als een musje van achttien gram  
 EEN OLIJFBOOM IN ZIJN KLAUWEN  
 met wat olijfdrab aan zijn teentje  
 BIJ MIJN OREN MET ZIJN MOND  
 op een ochtend bij ons kwam,  
 en nog zo eentje, en nog eentje  
 VOL VAN KORENZOETE* VROUWEN.  
 dan na onderling beramen  
 keken zij mij even aan  
 VOL VAN KIRRENDE VERHALEN  
 en tjilpten een verhaaltje samen,  
 ik zou er geen tjilp van verstaan,  
 HOE DE OORLOG IS VERDWENEN  
 maar zou een vrede ondergaan en  
 EN HERHAALT ZE HONDERD MALEN  
 dan voel ik alle haat en  
 pijn dit land verlaten.  
 ALLE MALEN ZOU IK WENEN.  
 En o mijn tranen.  
 O mijn tranen  

  * in 'Vrede' staat: 'vol van koren zoete vrouwen', hier: 'KORENZOETE  VROUWEN', zonder spatie dus. Het zou een zetfout kunnen zijn, maar ook  een bewuste betekenisverschuiving, aangebracht door de dichter zelf.    

 

 

 De duif van honderd pond gaat hier de dialoog aan met het musje van  achttien gram. De duif spreekt in kapitalen: '/ VOL VAN KIRRENDE  VERHALEN /. De mus en zijn soortgenoten '/ tjilpten een verhaaltje  samen, /'. De samenspraak en afwisseling suggereren dat de twee stemmen  met elkaar wedijveren en dat de waarheid in het midden ligt. Maar een  even goede conclusie lijkt mij dat de verschillende stemmen én het wenen én de tranen bij elkaar worden opgeteld, waardoor de vrede nog kleiner  is dan bij de eerste variant. Het is nu echt de allerkleinste vrede,  tweestemmig. Het is onmogelijk om ooit echt vrede te hebben met een  brandende stad en een 'versgebraden kind'. Ook al voel je 'alle haat en / pijn dit land verlaten./'


Reacties

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!